De Dam als Plaats van Herinnering

De Dam als fotografische
beeldbank

Onderstaande plattegrond geeft alle foto's binnen de Dam als plaats van Herinnering een locatie en kijkrichting
Toon
Kijkrichting
Hoogte
Periode
NW
N
NO
W
Alles
O
ZW
Z
ZO
Bijzondere locaties
Gedenksteentje Margit Widlund

Gedenksteen in het plaveisel van de Dam op de plaats waar in augustus 2001 de 27-jarige Margit Widlund overleed. Zij werd fietsend over het hoofd gezien door een afslaande vrachtwagen en overreden. Het ongeluk hernieuwde de discussie over de dodehoekspiegel op vrachtverkeer. Mede door inspanning van Margits echtgenoot Broer Widlund werd deze spiegel korte tijd later verplicht gesteld. Margits moeder Anna Enquist publiceerde een dichtbundel "de tussentijd" opgedragen aan Margit Widlund.

Commandantshuis

Een van de meest ingrijpende veranderingen die de Dam in het eerste kwart van de 20ste eeuw heeft doorgemaakt was de sloop van het zogenoemde Commandantshuis in 1912. Met de ingang aan de zijde van het Koninklijk Paleis stond dit pand tussen de latere Bijenkorf en gebouw Industria.

In 1807 nam de regering van koning Lodewijk Napoleon het complex in gebruik en in de eerste regeringsjaren van koning Willem I kreeg het een bestemming als woning van de stadscommandant. Vandaar de naam Commandantshuis. Het behield deze functie tot 1869, waarna er verschillende gemeente- en rijksinstellingen in werden gevestigd.

Nationaal Monument

Na een lange voorgeschiedenis werd op het voormalige Damplantsoen op 4 mei 1956 eindelijk het definitieve monument onthuld. De opdracht hiertoe was al in januari 1947 – dus negen jaar eerder – officieus verstrekt aan de beeldhouwer John Raedecker. De Nationale Monumenten Commissie voor Oorlogsgedenktekens koos in maart 1947 definitief voor Amsterdam en het Damplantsoen als locatie van een Nationaal Monument. Ruim een jaar later werd Raedecker gevraagd om voor een verantwoorde stedenbouwkundige oplossing samen te gaan werken met een architect en dat werd J.J.P. Oud. Eind december 1948 werd de opdracht officieel aan Raedecker en Oud verstrekt en na het nodige geharrewar werd hun ontwerp op 19 februari 1951 door de ministerraad aanvaard.